Français   English    Nederlands

Causses Cévennes
Landschap & Natuur
              van het
     Zuid Massif Central


   causses-cevennes.com


Architectuur
Fauna & Flora
Geologie
> Geschiedenis
Kleinbedrijf
Kunst & Cultuur
Linken
Onroerend goed
Regionale produkten
Routekaarten
Toerisme
Wandelen


B&B 
Chambres d'hôtes

 B&B  Gîtes d'étape

Campings

Hotel-restaurants

Streekproducten

Outdoor sport

Doe vakanties

Kunst & cultuur

Kleinbedrijf

Kanoën
Gorges du Tarn

Makelaars
Onroerend goed

Vakantiecentra

Vakantiehuizen

makelaar La Canourgue
immobilier-lozere-aveyron.com


Oude ansichtkaarten van :

 


Florac
Ispagnac
La Malène

Le Pont de Montvert
Le Rozier
Les Vignes
Mende
Meyrueis

Montbrun
Ste Enimie

St. Germain de Calberte
Quezac
Portraits




  
causses-cevennes.com


     

De geschiedenis van de Languedoc

1000 voor  J.C.:bewonen de Kelten de regio: de Rutten in het westen, de Gabalen in het noorden, de Arecomische Volques (later: de Tectosagen en de Arecomici) in het zuiden, de Helviens in het zuid-oosten en de Vellaven in het noord-oosten.

In de 2e en 3e eeuw v.J.C. bezetten de romeinen het Massif Central.

De Gabalen (bergbewoners),in de Gévaudan, met als hoofdstad  Anderitum ( later:Javols genaamd) en de Rutten (ce qui a donné Rouergue- peuples venu du delta du Danube)
sluiten een verbond met Vercingetorix de Gallier.

Dit terwijl de
Vellaven, de Helviens en de Volques een pakt sluiten met de Romeinen

Volques(waar de naam Velay van afgeleid is en waardoor de rots van le Puy met standbeeld 'Mont Anic' gaat heten- de" Anicium"-ook de latere namen van de provincie Velloise met Vienne en Lyon zijn van deze stam afkomstig.
° des Helviens- Vivarais
°
de Volques - grondstichters van Nîmes

In de winter van 52 v.J.C.:trekt César door de Cévennes om de Arvernen aan te vallen.

Na totale overwinning van het Gallische rijk installeren de Romeinen zich in de regio voor  5 eeuwen en besluiten tot het stichten van de provincies : l'Aquitaine (hoofdstad : Bourges) en  le Narbonnais (hoofdtad Narbonne). De natuurlijke grens tussen deze twee provincies is de Causse Méjean, wat de huidige régionalen spraken verklaard.

In 77 n.J.C.: Plinius vermeld dat de meest geapricieerde kaas te Rome de kaas van de Mont Lozère is.

Vanaf de 3e eeuw stichting van diocezen in de regio. De  christanisatie komt uit het zuiden : (uit Nîmes :St. Baudille) en uit het noorden met de bisschop van St. Privat. Deze vestigde zich in Mende na de verwoeesting van Javols door de Vandalen (1 vd volken v.d. Franken).

In de 4e eeuw stellen de Wisigothen Arianistische priesters aan (anders-gelovige volgens Arianus (zij ontkennen de heiligheid van Jezus ; God heeft een mens tot zoon geadopteerd.).)

Vanaf de 5e eeuw betwisten de Franken en de Wisigothen het zuiden, terwijl de Hunnen uit centraal azie de rest van de volken verdijven.
De Franken tonen zich wreed en barbaars, terwijl de Wisigothen als arianistisch cristenen
 voort borduren op de bestaande structuren, zoals, schrift, geld, architectuur en andere Romeinse verworvenheden.

In 564,  bescrijft de dichter Sidoine Appollinaire zijn reis door de hoge cévennes, vooral zijn passage aan  Trevidon (Saint-Laurent-deTrèves, een opmerkelijke plek waaraan hij een hele bladzijde wijdt; destijds de verblijfplaats van Férréolus, ex-prefect van Gallie.

Tussen de 7e en de 10 eeuw ondergaat de regio moorse aanvallen. De Sarrasins -komende uit Spanje veroveren het gebied vanuit hun Basis in Nîmes (maximaal 1 paarddag)
Ze komen tot in de  Vallée Française, Frankse enclave tussen de Wisigothen. Mogelijke verklaring van de naam "Franque"- Vrij (Vallée Franque- Vallée Française) -verzet tegen de Sarrasins.

Tussen  720 en 750, bewonen de Sarrasins de Cévennes,  tot aan de Tarn,  met immer mogelijke uitval naar hun basis in Nîmes.

Begin 9e eeuw, de Cévennes worden duurzaam door de Franken ingelijfd.

843, Verdrag van Verdun, het gedeelte Vivaroise van de Cévennes ontsnapt aan de Franken voor vijf eeuwen.

929, Toekenning van het leengoed van de baronnen van Anduze
.

Vanaf  975, de cévenolse bischoppen nemen actief deel aan de oprichting van "la paix de Dieu" - de vrede van god.
            
11
e eeuw : expansie van de grote religieuze orders in de Cévennes. De regio wordt gecoloniseerd door monniken. De grote abdijen in de Languedoc en de Ardèche geraken overbevolkt. Vanwege voedsel- en huisvestingsproblemen decentraliseren de kloosterorders. Hierbij worden ze geholpen door de leenheren die hen grond en kuddes beschikbaar stelt in ruil voor produkten, arbeid en geld.

Overal ziet men bedrijvigheid : bouw van terrassen en huizen, inrichting van terreinen voor moestuinen en de aanleg van kastanje-boomgaarden
Zij zijn de eerste generatie landbouwers in de streek en organisatoren van het ingerichtte landschap.            
architectuur


In 1020, de abdij St. Guilhem le Désert herbergt 450 monniken met 4000 schapen die zomers op hogere delen moeten weiden. Vandaar de vraag voor pacht van de weiden van de mont Aigoual en in de Aubrac.

St Guilhem le Desert

Bijna alle dorpen beginnend met "Saint" waren monikken-dorpen. 
Ook de meeste gehuchten danken hun eerste aanleg aan de monikken in deze periode, die als kleine priorijtjes met slechts enkele moniken een gehucht opzetten.


Tijdens de 12
e eeuw stichten de hospitaalridders van "Saint-Jean-de-Jérusalem" de Commanderij van " Gap francès" op de Mont Lozère.

1200: Alès is de eerste cévenolse stad die het recht van consulaat krijgt toegekend.

1229: De creatie van het rechtgebied van een Drost te Beaucaire maakt het mogelijk voor het koninklijk gezag om controle te krijgen over de lage Cevennes. 

1233: Installatie van een afgezant van de koning in Saint-Etienne-Vallée-Française.

1287: De bisschop van Viviers, tot toen trouw aan het leenheerstelsel van de keizer verklaard zich vazal van de Franse koning.
De spirituele leiders van de bischoppen, georganiseerd in bisdommen, met aartsbisschop als leider, verkrijgen tijdelijke de macht. De bisschop van Mende wordt zo Graaf van de Gévaudan (ongeveer de huidige Lozère).

1295: Anduze krijgt een koningszetel

1307: De koning Philippe de schone en de graaf van de Gévaudan Guillaume Durand stemmen de verdeling van leengoederen overeen.
De documenten die de leengoederen opsommen  (de feuda gabalorum) toont aan dat het cevenolse architectuur van gebouw en landschap al geheel aanwezig zijn in de  14e eeuw.

1317: Einde der Catharen, geklasseerd als ketters en zodanig vervolgd en verjaagd. 

1340. De eerste zwarte builenpest bereikt 2/3 van Europa.

1348: De  zwarte pest bereikt de Cévennes

1362-1363: Les Grandes Compagnies ravagent les Cévennes, s'emparent de la Garde-Guérin et brûlent Florac
.

Gedurende twee eeuwen worden de kastanjes gedeeltelijk vervangen door andere gewassen : graan en druiven. In Sumène maakt men vaten van kastanjehout. 

1362: Guillaume de Grimoard, geboren te Grizac in de Bougés (gemeente Le Pont-de-Montvert), en vroegere abt van Saint-Victor, wordt tot paus gekozen onder de naam Urbain V.

1415-1435
: De Cévennes worden eerst getijsterd door de strijd tussen de Armagnacs en de Bourguignons, en daarna door de "rouliers"-club transporteurs met ezels van Rodrigues Villandrando gevestigd in de regio Genolhac.

1465 Het oude dorp Saint Germain de Calberte, aan de voet van kasteel St. Pierre, wordt verlaten, met nog onbekende redenen. Misschien dat het huidige archeologisch onderzoek iets aan het licht brengt.
Geruchten gaan de ronde over de builenpest als oorzaak.

De moerbeiboom "l'arbre d'or"(de gouden boom-die baar geld in tegenstelling tot ruilhandel en welvaart heeft gebracht) komt in de bekendheid.


16
e eeuw: de notabelen leven van de feodale belasting-inning, handels-activiteiten en landbouw.
De bezittingen zijn extreem slecht verdeeld : 23 % van de bevolking bezitten 73,2% van de grond (Barre des Cévennes), 77%  heeft minder dan 2 ha of helemaal niets.

1533: De aanwezigheid van "ketters" wordt gesignaleerd in Alais en in de Gévaudan.

1547: Een Cordelier, Nicolas Ramondy, preekt te Anduze een heterodoxe vastenpreek.

1550 Diane de Poitiers (absentheïst) vertegenwoordigd de baronie Florac in de "Etats du Gévaudan"; in tegenstelling tot de noord Gévaudan heeft de Cévennes geen adelijken.

1560: De belangrijkste évenolse hervormde kerkgenootschappen worden gesticht; te Aigladines wordt de eerste clandestine synode gehouden.

1561: Beeldenstorm

1562: Begin der religieuze oorlogen. Het protestantse cévenolse leger, geprganiseerd in "la Cause" belegert Mende.

1573: Vergadering te Anduze van verenigingen ter voorbereiding van "les Provences Unies du Midi" (verenigde provincies van het zuiden).

1598: Henri IV tekent het Edict van Nantes, dat de protestanten
onder bepaalde condities, opnieuw een gebedsdienst(un culte) toestaat, en hen toegang verschaft tot alle functies en beroepen.

1599: De ontwikkeling van de zijdecultuur vergt de aanplant van moerbeibomen in grote getalen.

De Cévenollen(bewoners v.d. Cévennes) en de "Caussenards"(bewoners vv.d. hoogvlaktes-causses) ver verwijderd van de grote handels-routes concentreren zich vooral op de landbouw, kastanjebomen en veeteelt en besteden hun overige tijd aan het thuis vervadigen van "cadis" en "serges"- kleine wollen weefsels, die ondanks de kleine winstmarge een bloeiende industrie vertegenwoordigen.

Slechts een tiende van de verwerkte wol komt uit de streek zelf , de rest wordt geimporteerd en als weefsels ge-exporteerd naar Zwitserland, Duitsland, Italie en Malta.
In het centrum van de regio blijft de wol-industrie nog lange tijd belangrijker dan de zijde-handel.

1600: De Jezuïten vestigen zich in Aubenas, dit markeert de inspanning van de katholieken om de regio opnieuw in hun macht te krijgen.

1612: Stichting van de provinciale synode der Cévennes.

1624: Rohan formeert zijn troepen : de "milice des Cévennes".

1627: De bekendste episode van de strijd tegen la Cause (protestantse verzetbeweging), ondernomen door  Louis XIII en vooral zijn minister Richelieu, ter plaatse vertegenwoordigd door Rohan (oorlog van Rohan 1620-1630) met de koninklijke troepen (les dragons noirs) in de Cévennes, die eindigt na de 13 maanden durende bezetting van Alès, met de vrede van Alais in 1629.

1653: De poging om een hervormde gebedsdienst in Vals te verhinderen veroorzaakt grote opschudding in het hele zuiden.

Rond 1660: Oprichting van zijde- spinnerijen en verdere bewerkingen in Anduze, Alès, Ganges en naar het oosten.
Ver van de markten in de vlaktes is de wolindustrie nog steeds in ontwikkeling; sommige landbouwers worden kaarder of wever van beroep.

1683: De protestanten in Saint-Hippolyte-du-Fort houden een gebedsdienst op de plaats van de vernielde hervormde kerk, dit is het eerste openlijke verzet  tegen de politiek van Lodewijk XIV.

Octobre 1685: Herroeping van het 'Edict van  Nantes. Enkele weken later worden er geheime protestantse bijeenkomsten gehouden.
De bloeitijd van de cévenolse beschaving dankzij de (relatief) grote welvaart valt samen met de vervolging en veel lijden van de protestanten.

1687: Stichting van de Diocese Alais om de "nieuw-bekeerden"("les nouveaux convertis") in de Cévennes beter in de hand te kunnen houden.

1696 Er worden nieuwe beroepsgildes gesticht: bakkers, metselaars en klompenmakers (afwezig in de geschriften van 1606) Teken van ontwikkeling van de tot dusver overwegend autarkische economie van afgelegen gebieden. 
In deze periode integreeert ook het centrum van de Cévennes in de handels-economie en komt in permanent contact met de zuidelijker gelegen vlakte, de Rhône-vallei en de Middellandse zee.
Vandaar ook de vermeerdering van het aantal maarkten in de Lozère, waarvan de beroemste die van Barre des Cévennes.

24 juli 1702: Moord op Abt Chaila, het begin van Camisards-oorlog (la guerre des Camisards).

Herfst 1703: Vernietiging door brandstichting van de hoge Cévennes.

1709, ruige winter, hongersnood in het  noorden van de Lozère. In het zuiden houdt de kastanje de bevolking in leven.

Tweede "Pest van Marseille" (per boot gekomen).  Tussen 1722 en 1724,  30 duizend mensen sterven in de Gévaudan en in Marseille sterft meer als de helft van de bevolking.

1735: Begin van de katoen-industrie in de languedoc in Aubenas.

1750: Om de zijde-industrie uit te breiden moedigt de koning de aanplant van moerbei-bomen aan met een premie.

1757 De staten van de  Languedoc laten kwekers en zijde-inspecteurs
opleiden voor de distributie van "granen"(het jongste stadium van een zijde-rups), kwaliteits-controle en advies.

1783: De "masker-opstand" veroorzaakt oproer in de Cévennes vivaroise rondom Les Vans.

1787: Het "Edit de tolerance" geeft de burgerlijke staat aan de protestanten.

1788 De belangrijkste oogst is het moerbei-blad, tot halverwege de 19
e
eeuw.

Augustus 1790: De eerste slag van Jalès.

Herfst 1791, lente 1792: het in brand stichten van de kastelen.

Juni 1792: tijdens de derde slag van Jalès, vindt graaf Saillens de dood.

1793 - 1815  internationale veldslagen, groot verlies van manschappen, in de Cévennes, Spanje en Italie.

1820 De verrijking van de bourgeoisie stimuleert de uitbreiding van de zijde-teelt.

1825: Oprichting van de Mijn-maatschappijen : mijnen, smederijen en gieterijen in Alès.

1833: Paulin Talabot verenigd alle mijn-concessies van La Grand-Combe in een maatschappij.

1840 - 1845 De pébrine-ziekte treft de zijde-rups.

1845: Voltooiing van de spoorlijn La Grand-Combe - Beaucaire.

1846 - 1896 De bevolking in het mijnbouw gebied verdrievoudigd.

1850 De pébrine, een echte epidemie, woedt in de zijdekwekerijen (magnaneries)-, deze ziekte treft de zijde-rups tijdens haar laatste verpopping. Een van de belangrijkste redenen van de crisis in de zijde-industrie. De welvaart dankzij deze industrie loopt op zijn einde.

1851: De cévenolse protestantse gemeentes leveren veel tegenhangers op de staatsgreep van   2 december.

1864 Uitvinding van het weefgetouw voor zijden kousen.

1865: Louis Pasteur komt naar Alès om de ziekte van de zijderupsen te bestuderen.

Tussen 1856 en 1914  vertrekt 39 % van de bevolking van de Cévennes Lozérien ( 2 zijderups-crises , de "inkt-ziekte" verwoest de kastanjebomen en de phyloxéra treft de wijngaarden van de lage Cévennes.
Hier zijn de boeren net gestart met wijnbouw voor overwegend la Grand Combe om de verliezen in de zijde-industrie te compenseren.

De emigratie naar de mijnen zet op gang, ongelijkelijk verdeeld over de beroepsbevolking, St. Germain de Calberte bijvoorbeeld verliest 38 % van haar inwoners, zijnde 55% van haar landbouwers.

Tussen 1861 en 1911 vermeerderd de bevolking van la Grand Combe van 7.700 naar 11.500. In Alès komen er in deze periode 8000 inwoners bij.
De mijn-maatschappijen beheersen het leven : behuizing, voeding, kleding, medische zorg, scholen, hervormde en katholieke kerken.
Toch zijn ze wantrouwend tegenover de protestantse cévenollen, die bewijs hebben geleverd van  mogelijkheid tot groot verzet. Liever nemen ze mensen aan uit de Ardeche, de noord Lozère, of van nog verder weg.

1868:  Bosbouwer Georges Fabre onderneemd de her-bebossing van de mont Aigoual (-1875).

Louis Pasteur ontdekt de oorzaak van pébrine en vindt mogelijkheden om haar te bestrijden.

1870 De inkt-ziekte (La maladie de l'encre) verschijnt  : verrotting van de wortels van de kastanjeboom met een zwart-blauwe afscheiding ("inkt"). Deze ziekte resulteert in het afsterven van de toppen van de boom.
Aanplant van maritime- en sylvestre- dennen in de lage Cévennes om de zieke kastanjes te vervangen.

Eerste inventarisatie van de orale literatuur in de Languedoc door Achille Montel en Louis Lambert.

1873 De "tunnel du Marquairès" boven St. André de Valborgne verbindt de vallei van de Gardon met die van de Tarnon.

1874 Spoorlijn Vigan - Lunel langs St. Hyppolite Dufort

1878: Robert Louis Stevenson trekt door de Cévennes met zijn ezel Modestine,'  te St. Germain de Calberte bemerkt hij de druiven-ziekte.

1880 de zijde-industrie wordt bedreigd door de concurentie van de veel goedkopere zijdes uit het midden-oosten.
Tegelijkertij verdrievoudigd het werk en de bevolking in het mijnbouwgebied. Grand Combe telt  5 duizend werknemers. Alès/Grand Combe/ Bessèges: 3 duizend metaalarbeiders, 13 duizend mijnwerker
s.

De spoorlijn wordt doorgetrokken tot in de hoge Cévennes, zodoende in verbinding met Nîmes en Parijs

1881-1882: Eerste grote stakingen in het mijnbouwgebied rond Alès.

Vanaf 1883, ontdekt Malafosse, en vervolgens Martel
touristische bezienswaardigheden in de Cévennes.

1890, 1891, 1900, 1907 Zware herfst-regens veroorzaken grote overstromingen in de beken en rivieren van de Cévennes "les Gardonnades" (de rivieren Gardon van : Collèt de Déze, Saint Frézal, Saint Germain de Calberte, Saint Martin de Lansuscle, Sainte Croix de V.F., St. Jean, Alès, Mialet en Anduze.)

Vanaf 1890 is de crisis in de mijnbouw en metaalindustrie in de Gard een feit.
Grootscheepse stakingen breken uit : 1892, 1896, 1897, 1902, 1906

1891 premie om de zijdeteelt weer op te peppen.

1894: Stichting van "le Club Cévenol" door Paul Arnal, dominee in Florac. Deze Club verenigd in haar statuten de Causses met de Cévennes, weinig bevriende regioos tot nu toe.

Het aantal geboortes neemt toe, maar helaas is de kindersterfte op jongen leeftijd erg groot.

1906:
- De inventarisatie van de kerken ontmoet weerstand bij de katholieken.
-"Le guide JOANNE" (voorloper van de "guides bleus") bespreekt als eerste de Cévennes.
- Spoorlijn Anduze - St. Jean du Gard
- 1907-1916  spoorlijn  Florac - Sainte Cécile d'Andorge

1911: Stichting van het Musée du Désert.

1 augustus 1914, de oorlog begint, en daarmee het verval van veel dorpen door het vertrek van de mannen naar het front.
Vanaf 1914 verzekeren de vrouwen (tijdelijk) zonder mannen het boerenbedrijf. In protestantse kringen was dit uit noodzaak al redelijk ingeburgerd. Uit het canton St. Germain vindt 22% van de soldaten de dood.


Tussen 1911 en 1921 ziet men een grote emigratie om elders werk te zoeken : 20 % van de mannen en  25 % van de vrouwen tussen de 20 en 40 jaar vertrekken.


1925: Met "Roux le bandit", zijn eerste roman, luidt André Chamson de cévenolse moderne literatuur.
.
1943-1944: Cévenols verzet (januari te Aire de côte, juli te St. Germain en in de regio Mandagout). Veel joden duiken onder in de Cévennes.

1958 De vernielingen van de Gardonnade(overstroming van de rivieren Gardon) doen de publieke werken besluiten de stuwmeren bij St. Cécile d'Andorge en Camboux te maken.
De grote romaanse brug met 6 bogen in  St. Jean du Gard wordt voor een groot gedeelte meegevoerd door de stroom.

1959: Stichting van de Coopérative laitière de Pelardon des Cévennes en Vallée Française  tekent de wil van de cévenolse boeren om te blijven en zich aan te passen aan landbouw-vernieuwingen.

1959: Vanwege slechte verkoop van onderaardse half-vette en kwart-vette steenkool wordt onderaardse delving van deze gestaakt.

1965: Sluiting van de laatste cévenolse zijde-spinnerij; oprichting van het nieuwe industrie terrein Clavières-Groupillac bij Alès.

1970: Stichting van het Parc national des Cévennes ter bescherming van flora, fauna en erfgoed.

1975:  Kleinschalige opleving van de zijdecultuur met de japanse moerbij in de zuidelijke Cévennes.

1993 "Terres en fêtes" est crée, festivititeit om het beroep van herder en cévenols erfgoed te herwaarderen.
retour ...

 

 

 

             

URBAIN   V


De opmerkelijke Urbain V, Guillaume de Grimoard wordt geboren te Grizac.

Hij gaat rechten studeren in Montpellier. In de   14e eeuw betekende een rechtenstudie geheit succes.
Guillaume de Grimald treedt in in de kloosterorde van Saint Benoît te Saint Sauveur de Chirac waarvan de overste zijn oom is.
Hij ontvangt zijn priesterbenoeming in Saint Victor de Marseille.
Hij geeft onderricht in Montpellier, Toulouse en Paris.

Vervolgens stuurt men hem als abt van Saint-Germain-d'Auxerre en trouwe gezel van de paus om het land terug te halen, wat de tyrannen van Milaan destijds van Jeanne de Sicile hadden afgepakt.

In 1361 is de abdij Saint Victor à Marseille volop verwikkeld in de oorlog van 100 jaar.

Overal waar hij komt restaureerd en bouwt hij.

Op visite op Mont Cassin, krijgt hij de boodschap snel naar Marseille en vervolgens Avignon te komen, waar hij tot paus wordt benoemd. In eerste instantie weigert hij deze eer met de legendarische woorden " wij zijn slechts as en stof".

Volgens het verhaal verschijnt er een witte mist bij zijn bekroning. Deze mist wordt gegeten en vereerd.
Urbain wordt -net als zijn moeder, vereerd als een heilige.

Tijdens de oorlog van 100 jaar betwisten de zonen van het Engelse koningshuis (van verschillende nationaliteiten), de kroon van Frankrijk.

Urbain V stuurt de buitenlandse invasies het land uit, zo ook in Castille. Hij maakt een kruistocht tegen de turken en stuurt missies naar Bosnie, Lituanie, Bulgarije en China.

Hij pakt Alexandrie terug van de Turken.

Als Urbain V - groot heerser in het stellen van orde, opgevolgd was geweest in dezelfde geest had de reformatie nooit plaatsgevonden.

Urbain V sticht de universiteit van  Hongarije.

In 1369, brengt hij de heilige zetel weer terug naar Rome na te hebben geredetwist met Charles V die Avignon duidelijk meer zag zitten.
Ook omdat het in Rome in die tijd een grote misère was en de aartsbischoppen erg bang waren om honger of wat dan ook te lijden.

Hij restoreerd de universiteiten van recht en medicijnen in Montpellier. Hij onderhoudt en herbergt meer dan 1000 studenten en geeft hen boeken en de beste hoogleraren.

Hij sticht de college van 12 doctors (afkomstig uit de Gévaudan).

In Toulouse, redt hij de muziek-universiteit en brengt hij de stoffelijke overblijfselen van Thomas van Aquin terug.

Hij recruteert leerlingen uit allerlei milieus en laat de beste doorstuderen. Er zijn bewijzen van de goede behandeling die hij zijn studenten gaf, zelfs ten tijden van oorlog.

Hij sticht het college Saint Benoît te Montpellier waarvan de kerk later cathédraal wordt.Deze laat hij versieren met talrijke kunstwerken.

Tussen 1363 en 1365, restaureet hij de  Saint Victor te Marseille.

In Avignon,vergroot hij het "palais des Papes". Rond Rome laat hij wijngaarden planten.

Ook laat hij veel grote tuinen (met fonteinen) aanleggen, de grote mode in de 14e siècle.
Hij is erg vaak afgebeeld en bouwt veel vestingen zoals in Florac en Mende.

Hij bouwt een seminaire en brug in Quézac een school in Bédouès en een kerk en bibliotheek in Ispagnac.

Hij sterft uitgestrekt op de grond in zijn benedictijnen-kleed . Eerst wordt hij begraven in Saint Victor de Marseille, daarna verhuist hij naar de crypte van de cathedraal van Mende (ook één van zijn meer als talrijke bouwsels). retour ...


 

 De geschiedenis van de landbouw

 

Middel eeuwen , tegen het einde van de XIIIe eeuw :
Graangewassen : tarwe, rogge, gerst in de vlaktes, haver, heel veel gierst en rijst.
Groentes : raap, kool, prei, tuinboon
Planten om te verven : meekrap, wede en wouw.
Bomen : olijf-, amandel-, walnoot voor olie. Kastanjeboom in de bergen. Moerbeiboom zodra de zijdeteelt verschijnt.
Talrijke fruitbomen worden meegenomen van de kruistochten.
Doorgaans zijn ze weinig talrijk in de weinig voorkomende boomgaarden.
De pruim en de perzik zijn de meest voorkomende fruitbomen.
In de regio Toulouse worden de fruitbomen tussen de wijngaarden geplant.
Overige voorkomende fruitbomen in deze tijd zijn de appel-, peren-, kersen-, vijgen-, en abrikozenboom.

XVIeeeuw : schuchter begin van de wijnbouw.
Vroege druivenoogst in begin september. Slechte conservering van de wijn.
Introductie van de boekweit.
Rond Toulouse beleeft het verbouwen van wede haar hoogtepunt in de eerste helft van de eeuw.
Mais verschijnt tegen 1600, vervolgens de tomaat.

Grootscheepse aanplant van olijfbomen, walnoten- en amandelbomen voor olie.
De kastanje wordt heel veel genuttigd.
Aanplant of uittrekken van de moerbeibomen afhankelijk van het lot van de zijderupsenteelt.

XVIIe eeuw het oprukken van de wijnbouw, late druivenoogst in october.
De betere conservering van de wijn maakt export mogelijk.
Vermeerdering van stokerijen.
Verval van de graanteelt in de lage Languedoc.
De granen uit de regio Toulouse komen op de markt in Narbonne en Marseille door het kanaal du Midi.

Geimporteerde Indigo vervangt de wede
Distillatie van
aromatische planten : thym, spijk en rozemarijn.
Aanpassing van sla, artichokken, bloemkolen, peterselie, meloenen, aubergines, pepers en   sperciebonen.  Komkommers en pompoenen.
Verval van de olijfboom in de lage Languedoc in de tweede helft van de eeuw
.  

XVIIIe eeuw : grote ontwikkeling van de wijnbouw.
De wede-bouw houdt op.
Poging tot introductie van katoen.
Geleidelijke vermindering van haver en gierst in het voordeel van andere graangewassen.
Oprichting van landbouw-cooperatieven.
Aardappel raakt ingeburgerd tegen het eind van de eeuw, zo ook andere knolgewassen.
Uitbreiding van kunstmatig aangelegde weides.

XIXe eeuw : Monocultuur van druiven in de vlaktes.
Gebruik van zwavel voor de tonnen, bewerkstelligd een betere conservering van de wijn.
Destillatie van druivensap nà de crisis van oïdium in 1850.
Phylloxéria -
crisis in 1863.
Teruggang van rogge en "melteil" ?.
Introductie van landbouwmachines.

Introductie van de suikerbiet.
Tevergeefse aanplant van oliehoudende granen zoals koolzaad, zonnebloem en aardnoot in de regio   Toulouse.
Mislukte poging van de herintroductie van de wede.
Vermindering van de verbouwing van textielplanten zoals linnen en hennep.
Ontwikkeling van het verbouwen van groentes
in de regio Toulouse.
Instorting van de verbouwing van meekrap in de Gard.
Het uitrukken van olijfbomen.
Neergang van de zijderupsen-teelt.

XXe eeuw : de traditionele poly-cultuur wordt door het merendeel van de boeren verlaten voor specialisatie; hiertoe gedwongen door de concurentie van importgoederen.
Zij wordt nog wel bedreven door oudere landbouwers en nieuwkomers voor het behoud van een maximum aan autarcie.
Het uitrukken van moerbeibomen en het aanplanten van wijngaarden.
Grootscheepse wijnverkoop in la Grand - Combe.
Het uitrukken van wijnranken vanwege het niet verkrijgen van een d'appellation controlée
Veel landbouwers verlaten hun grond, andere storten zich in het verbouwen van groentes.

Vanwege de concurentie van buitenlandse markten zijn de winstmarges erg mager.
Sommige verlaten de landbouw en beginnen veeteelt en/of slagerij.

In 1954  is 27,3 % van de bevolking landbouwer, in  1975 nog slechts 11,6 %.
Om economische redenen worden veel voor machines ontoegankelijke terrassen niet meer verbouwd.
In 1955 worden 262 ha gebruikt, in 1970 daarentegen nog maar 151 ha.

De ui is in opgang.

      VEETEELT

Middel eeuwen : het meest voorkomende beest is de geit en het varken. Sommige worden gehoed in grote gemeentelijke kuddes.
Er zijn veel ezels en muildieren voor transport en runderen om te ploegen.
Duiven, ganzen en kippen in kleine getalen.

XVIIe eeuw: hoofdzakelijk geiten, goed aangepast aan de streek

XIXe eeuw :runderen en ezels zijn werkdieren bij uitstek
De schapenhouderij is in opkomst in de eerste helft van de eeuw, maar loopt terug in de tweede helft.

Algemene teruggang van veeteelt.

XXe eeuw

GEITEN-FOKKERIJ

De gewoonte van elke familie om zelf een of meerdere geiten te houden is nog steeds intact.

De verkoop van melk en geiten is pas na de tweede wereldoorlog begonnen.

In de jaren 70 vestigen zich veel jongeren in de streek sterk aangetrokken tot het houden van geiten en de beweging "terug naar de aarde".
De geitenhouders verenigen zich in 1959 in een coopératie voor melk en het eerste franse keur-station voor melk en geiten.
De fusie met de INRA creëert coopérative d'élevage caprin et de Pélardon des Cévennes à Moissac.

De best geaprecieerde geit is de " Alpes".
Of de boeren verwerken de melk thuis, of ze leveren de melk aan de coopérative die de melk een keer in de twee dagen op komt halen.


SCHAPENTEELT

De schapenhouders die voor de markt werken, zijn opgehouden met het vercommercialiseren van de wol; het scheren is net zo duur als de opbrengst van een vach,.zij concentreren zich op het produceren van lammeren voor de slagerij.

Zij leveren melk aan de kelders van de Roquefort of maken zelf thuis regionale schapenkazen.

De schapen zijn
rustieke rassen die het zeer wisselende cevenolse klimaat kunne doorstaan :"Blanche du Massif Central", "Préalpes", "Lacaune" en "Caussenarde".

Met grazen voorzien ze in hun hoofdvoedsel, met hooi in de winter en granen in de lammer-periode.
De "transhumance" - de jaarlijkse schapentrek naar hoger geleden weides, bestaat niet meer, behalve op kleine schaal door het parc national des Cévennes voor het in stand houden van deze traditie.

HET HOUDEN VAN VARKENS

De gewoonte bestaat nog steeds om per familie een of meerdere varkens vet te mesten en deze te slachten met vrienden en kennissen uitmondend in een gezellig gezamenkijk etentje.

Op professioneel niveau zijn de boeren die na alle doorstane misères in de landbouw (ziekte van de zijderupsen, druiven en kastanjebomen) die nog het hoofd boven water hebben weten houden als groenteverbouwers, hoofdzakelijk overgestapt op het fokken en slachten van varkens met eventueel wat bijprodukten.

RUNDERTEELT

Deze productie, hoofdzakelijk voor het vlees, wordt vooral bedreven op de hoger gelegen gebieden, rijk aan uitgestrekte graslanden : in de Bougès, op de Mont Lozère en in de Aubrac.
1 rund begraast 4 ha.
Rassen: "les Croisées de Charolais" en de "Aubrac"

Photo : Alain Lagrave

OVERIGE TEELT :
op kleine schaal ziet men ook nieuwe initiatieven : pluimvee, konijnen, slakken, lamas, struisvogels, ezels, forellen, honden en paarden, etc.

ANDERE PRODUCTEN :

honing, kastanjes en andre vruchten, confitures, bloemen, groenten, bier, wijn, paddestoelen, verhuur van ezels, etc.

Om hun inkomen aan te vullen hebben veel landbouwers ook nevenaktiviteiten zoals : bosmaaien, schoolkinderen vervoeren, handnijverheid, bosbouw, bomen kappen, paaltjes maken,  table en chambre d'hôte, verhuur van een vakantiehuis etc.
Ruche

De boeren-handwerklui hebben zich verenigd in een cooperatief "artisans et paysans" sinds 1958 die zich bezighoudt met het aan de man brengen van de geproduceerde artikelen : houtbewerkers, stoelenmatters, mandenvlechters, messenmakers, sieraden, aardewerk, etc.
Ook tentoongesteld in "la maison de la Lozère" in Mende, Montpellier en Parijs.
retour ...


© 1998 - 2008  causses-cevennes.com - lozere.net - mentions légales - Agence la Bastide  -  creation-internet-site.com